De schaduw van liefde

Gepubliceerd op 7 maart 2025 om 10:00

Lief dagboek,

Vandaag heb ik iets verschrikkelijks gedaan en nu vraag ik me af, ben ik een slecht mens? Het is nog geen drie dagen geleden dat ik erachter kwam dat hij tegen me heeft gelogen en nog erger, net stuurde hij me een berichtje en loog hij gewoon weer. Terwijl hij weet dat ik weet wat hij gedaan heeft. Hij heeft haar gekust, dat kreng uit vier havo. "Zijn beste vriendin," zoals hij haar telkens noemde, maar eigenlijk heeft hij gewoon gevoelens voor haar en dat al heel lang. Het kwam er alleen nooit uit, omdat zij met die broekpoeper een relatie had. Ook niemand die begrijpt wat ze in die dombo zag trouwens. Nu René en David uit elkaar zijn, heeft Antonius vrij spel, alleen was hij even vergeten dat hij nog een relatie met mij had. Ik hoef hem nooit meer te zien, de klootzak en dan heeft hij niet eens genoeg lef om gewoon naar me toe te komen. We wonen notabene nog geen tien minuten bij elkaar vandaan, maar nee, hij belde me. Hij belde en zei dat hij zich niet goed voelt en even tijd nodig had voor zichzelf. Naïef als ik ben, geloofde ik hem tot ik hem een dag later op school betrapte met René. Ik haat hem en ben blij dat vandaag de zomervakantie is begonnen, ik hoop dat ik hem nooit meer zie.

 

Ergens heel ver weg hoor ik nog wel een stem, maar mijn gedachten dwalen alle kanten op. Het is nu zelfs zo erg dat ik niet eens meer hoor wat Sanne tegen me zegt. Misschien wil ik het ook wel niet horen. Mijn zusje is lief hoor, maar als ik nog een minuut langer naar haar paardenverhalen moet luisteren, weet ik niet zeker dat ik niet ga gillen.

"Kyra, waar ben je met je gedachten?"

Sanne zwaait met haar hand voor mijn gezicht en langzaam kom ik weer terug op aarde. Ik heb haar nog niet verteld dat ik Antonius met René heb zien zoenen in het gangetje dat naar de lerarenkamer leidt. Zij denkt nog steeds dat het wel weer goed zal komen tussen ons, iets wat ik dinsdagmiddag toen hij belde zelf misschien ook nog wel geloofde. Of dat wilde ik in elk geval geloven. Bij de gedachte alleen al schieten de tranen in mijn ogen. In mijn hoofd hoor ik dat akelige gesprek weer. Hoe ik tegen hem zeg dat ik van hem hou. Woorden die ik nog niet eerder hardop tegen hem had gezegd en zijn antwoord. "Ik hield ook van jou." Hield, dus nu niet meer. "Het spijt me, ik lig zo in de knoop met mezelf dat ik niet meer van je kan houden." Ik geloofde hem, elk stom woord. Alles wat hij zei, hij was tenslotte al eerder depressief geweest en had zelfs een zelfmoordpoging gedaan.

Jammer genoeg mislukte die.

Even schrik ik van mijn eigen gedachten. Vorige week was ik nog blij dat die poging mislukt was, anders had ik hem nooit leren kennen. Dat was vast beter geweest, klinkt een geniepig stemmetje in mijn hoofd. Ik weet dat het mijn woede is, mijn verdriet en het ongeloof. We wilden trouwen, sterker nog, hij had me al ten huwelijk gevraagd met prachtige witte rozen. Zodra we allebei 18 zouden zijn, zouden we gelijk gaan trouwen.

Leugens.

Hij hield nooit echt van me, anders had hij niet met René gezoend. Dan was hij trouw aan mij gebleven, zoals ik al die maanden aan hem was. Alsof ik nooit in de verleiding gekomen ben om Riff of Juan te zoenen. Maar ik deed het niet, want ik hield van hem.

"We kunnen briefjes maken met mooie spreuken om hem op te vrolijken."

"He, wat?"

Sanne fronst even haar wenkbrauwen, maar zegt dan opnieuw:

"We kunnen briefjes maken om Antonius op te vrolijken, dan voelt hij zich vast snel weer de oude."

Ik wil haar zeggen dat hij helemaal niet ziek is, maar als ze me aankijkt met die grote hazelnootkleurige ogen, kan ik dat nog niet. Ik weet dat ik het ooit moet doen, maar nu wil ik graag dat mijn kleine zusje nog even gelooft in de magie van aardig zijn en hem nog even niet ziet als het monster dat onder zijn knappe gezicht schuilgaat.

Mijn telefoon die naast me ligt trilt en zonder er echt bij na te denken pak ik hem op. Twee berichtjes en een gemiste oproep van Juan schudden me wakker uit mijn verstarring. Het laatste half uur was ik zo druk met zelfmedelijden dat ik helemaal vergeten ben dat ik vandaag met Riff en Juan heb afgesproken. Niets geks, gewoon een drankje in een café vlakbij om te vieren dat ik mijn diploma heb gehaald en dat het zomer is.

“San,” zeg ik terwijl ik opsta. “Juan en Riff zitten op me te wachten. Ik was helemaal vergeten dat ik met ze had afgesproken.”

Sanne kijkt me nieuwsgierig aan, alsof ze me probeert te lezen.

“Wat is er?” vraag ik haar.

“O, niks,” kort laat ze een stilte vallen voor ze verder praat en vraagt: “Waarom heb jij eigenlijk geen vriendinnen?”

Haar vraag verrast me en even weet ik niet wat ik moet zeggen. Het is niet waar dat ik geen vriendinnen heb, maar ik heb wel meer vrienden.

“Het is gewoon, als twee vriendinnen ruzie hebben is er gelijk drama en ik praat niet tegen je en de mij best. Met jongens is dat niet zo.”

Sanne knikt, maar ik heb niet het gevoel dat ze me echt begrijpt. Het probleem is alleen dat ik geen idee heb hoe ik haar beter moet uitleggen wat ik bedoel. De vriendinnen die ik heb zijn fantastisch, maar de vriendschappen die ik met mijn mannelijke vrienden heb zijn gewoon veel gemakkelijker. Flirten, kletsen en geen enkele sukkel die je lastigvalt, omdat ze denken dat ik met mijn vriendje ben. In de meeste gevallen was ik tot gisteren, eigenlijk ook nog met mijn vriendje…

 

Normaal gesproken zou ik mijn fiets altijd vastmaken met het kettingslot, maar nu kan het me eigenlijk niet zoveel schelen. Het kan niet zo zijn dat een gestolen fiets meer pijn doet dan het gevoel dat ik nu heb. Op weg naar het café, waar ik ondertussen meer dan tien minuten te laat ben, zag ik Antonius bij de skatebaan. Normaal skate hij nooit, maar René skate wel, dus is dit dan nu zijn nieuwe hangplek?

Snel loop ik naar de deur van het café toe en leg mijn hand op het koele metaal van de deurgreep. Het kalmeert me een beetje. Zo rustig als ik kan, duw ik de deur open en stap naar binnen. Meteen voel ik dat de airco aanstaat en er loopt een rilling over mijn rug. Gelukkig zie ik op hetzelfde moment dat Riff en Juan aan een tafel bij het raam zitten. Langzaam loop ik naar hen toe terwijl ik mijn best doe om mijn ademhaling onder controle te houden.

Iets voor de tafel blijf ik staan. Daar zitten ze dan, mijn twee beste vrienden, allebei een stuk ouder dan ik, maar verder totaal verschillend. Toch zijn ze allebei ook heel erg knap. Juan, die uit Spanje komt, heeft een door de zon gebruinde huid en donkere, bijna zwarte ogen die altijd stralen. Riffs gezicht zit vol sproeten en zijn haar heeft een prachtige tint rood die ik niet kan omschrijven. Beiden zijn lang en gespierd en dus bevriend met mij. Ik, Kyra, met mijn lange roodgeverfde haar dat inmiddels tot mijn oren bruin is uitgegroeid. Ik, die in tegenstelling tot mijn vrienden heel klein ben en minimaal vijf jaar jonger.

“Wat sta jij te dromen?”

Riff heeft zich omgedraaid op zijn stoel en kijkt me aan. Zijn ogen twinkelen ondeugend.

“Dacht je soms aan Anto… au!”

Juan heeft Riff een klap tegen zijn achterhoofd gegeven en zegt met zijn heerlijke Spaanse accent:

“Ze zijn uit elkaar, sukkel.”

“Wat?”

Riff kijkt me weer aan, maar dit keer verwijtend. Ik zie aan zijn knappe gezicht dat hij het niet leuk vindt dat ik Juan eerder heb verteld wat er gebeurd is. Feit is dat ik Juan tegenkwam toen ik als een zombie over straat liep, net nadat Antonius me had gebeld.

Ik loop verder naar hen toe en ga bij hen aan de tafel zitten.

“Ik zal je nog sterker vertellen. Hij is vreemdgegaan, stond gisteravond na de diploma-uitreiking met zijn tong in de mond van René en appt me vanmiddag doodleuk, schat ik mis je.”

“En jij wist dit?”

Riff kijkt kwaad naar Juan, die verdedigend zijn handen in de lucht steekt.

“Dat ze uit elkaar waren, de rest hoor ik vandaag ook pas voor het eerst.”

Riff legt zijn hand over de mijne en knijpt er zachtjes in. Mijn ogen vullen zich met tranen en ik doe mijn uiterste best om ze weg te knipperen.

“Ik mocht die gozer toch al nooit.”

Een van de tranen ontsnapt en rolt over mijn wang, terwijl ik vreemd genoeg ook begin te lachen. Ik weet heel goed dat Juan en Riff Antonius niet echt mochten, en nu heeft hij er dus nog een vijand bij.

 

Vanmorgen wilde ik me eigenlijk ziekmelden op mijn werk, maar aangezien ik in mijn vaders bedrijf werk, zou hij weten dat het een leugen is. Mijn moeder denkt dat een paar uurtjes werken goed voor me zullen zijn, een beetje afleiding van alle drama noemt ze het. Ik weet alleen niet of ik het aankan om vier uur lang te doen alsof ik mijn gebruikelijke blije zelf ben. Nu zit ik op mijn bureaustoel en staar naar mijn handen. Ergens is het fijn om hier te zijn, in het depot, de enige plek waar ik geen herinneringen met Antonius heb. In het half jaar dat we samen waren, is hij nooit binnen geweest. Ook niet zo gek, het depot is het best beveiligde deel van mijn vaders logistiek bedrijf. Overal hangen camera's om diefstal te voorkomen. Niemand mag er binnenkomen zonder pasje. Alleen de chauffeurs die voor hem werken houden zich niet altijd aan die afspraken, en gelukkig maar. Als ze dat wel hadden gedaan, had ik Juan en Riff nooit zo goed leren kennen. Natuurlijk had ik ze dan wel eens gezien wanneer ze met een geweigerde pallet terugkomen die achter het grote hek in het depot wordt gezet of teruggebracht wordt naar deur één mocht het de eerste keer zijn dat een bedrijf toevallig gesloten is. Het enige wat ik moet doen is scannen en vertellen wat ermee moet gebeuren. Simpeler dan dat kan niet, maar vandaag zou ik zomaar kunnen vergeten wat gesloten betekent.

Hard geroffel op de tafel naast me laat me opschrikken uit mijn overpeinzing. Ik kijk opzij en zie Riff staan. Hij draagt een donkerblauw shirt met het logo van ons bedrijf erop en heeft een kleine doos vast. Nou weet ik wel beter, dit doosje is dan wel klein, maar weegt net zoveel als een doos vol boeken.

“Wil je deze voor me scannen?”

“Natuurlijk.”

Ik sta op en pak de scanner die ik op de tafel waar Riff staat heb laten liggen. Met een snelle beweging scan ik en zie ik dat het doosje is geweigerd en teruggestuurd wordt naar de afzender.

“Leg maar neer.”

Riff doet wat ik vraag en loopt vervolgens langs me naar mijn bureau en trekt mijn la open. Terwijl ik een nieuwe sticker op de doos plak, plundert hij mijn snoepvoorraad.

“Hé, dit is een goed nummer,” Riff draait een onhandig rondje.

“Gaat het wel goed?”

Ik ken Riff nu bijna een jaar en als er iets is dat ik geleerd heb over hem, is dat dat hij geen danser is.

“Helemaal fantastisch,” zegt hij en hij knipoogt naar me.

“Soms ben ik bang dat je de weg kwijt bent.”

“Ik probeer je op te vrolijken.”

“Wie zegt dat ik verdrietig ben, boos misschien, maar verdrietig…”

“Kom op Kyra, hou iemand anders voor de gek, ik ken je veel te goed.”

Riff loopt naar me toe en geeft me een knuffel. Uit gewoonte sla ik mijn armen om hem heen, maar de tranen prikken achter mijn netvlies. Ik wil niet gaan huilen, ik moet niet huilen. Als ik de tranen nu de vrije loop zou laten, stop ik voorlopig niet meer. Daarom adem ik een keer diep in en uit en laat Riff dan los. Ik draai me om naar de tafel om de doos te pakken die ik net een nieuwe sticker gegeven heb als ik hem zie staan. Een seconde lang denk ik dat ik droom, maar dan zegt Antonius:

“Hé Kyra.”

Mijn maag draait zich om en ik zie het verschrikkelijke moment in de gang weer voor me.

“Hoe ben je binnengekomen?” mijn tong voelt dik terwijl ik het vraag.

“De roldeur staat open, mag ik even met je praten,” Antonius kijkt naar Riff. “Alleen.”

“Wat je ook te zeggen hebt, het kan gewoon hier.”

“O, oké dan… Ik dacht, nou ja. Ik bedoel ik mis je en onze goede gesprekken en ons.”

Iets doms binnen in mij maakt even een salto, maar dan zie ik zijn lippen weer op die van René gedrukt en zeg ik:

“Heeft René je nu al gedumpt?”

“Wat bedoel je?”

Antonius kijkt me berekenend aan, maar ik kan me niet meer inhouden.

“Denk je echt dat ik niet weet dat telkens als je het te druk,” met mijn vingers maak ik aanhalingstekens in de lucht, “had om met mij af te spreken je bij haar zat. Ik heb je gezien.”

Antonius zijn hele houding verandert in een seconde en hij haalt nonchalant zijn schouders op.

“O, in dat geval kan ik ophouden te doen alsof.”

Er knapt iets in me en een pure woede neemt bezit van me. Mijn blikveld wordt onscherp, alleen Antonius kan ik nog goed zien en dat er iets blauws op de tafel ligt. Zonder erbij na te denken, sterker nog mijn hoofd is op dit moment helemaal leeg, grijp ik het vast, maak een zwaaibeweging naar achter en registreer ergens ver weg dat ik iets raak, maar ik negeer het en gooi mijn geïmproviseerde wapen naar Antonius' gezicht. De tranen die eerder nog achter mijn ogen prikten rollen nu over mijn wangen en maken mijn volledige zicht troebel. Ik tril over mijn hele lichaam en weet eigenlijk niet hoe het kan dat ik nog sta. Een zoete bekende geur kriebelt mijn neus, maar in mijn hoofd is de warboel te groot om te achterhalen waar de geur bij hoort. De wereld is zwart geworden, maar de geur verdwijnt niet en de tranen blijven komen. Ik begrijp niet waarom ik dat weet als ik niks kan zien, tot een zachte stem fluistert:

“Ky, doe je ogen open.”

Heel langzaam dringt er tot me door dat ik niks kon zien, omdat ik mijn ogen gesloten hield, maar voor hoelang? Ondanks dat mijn blik nog steeds onscherp is door de tranen beginnen mijn zintuigen weer te werken. Naast de heerlijke geur van Juan voel ik nu ook zijn armen die me vasthouden en zijn shirt waar tegen mijn gezicht aan ligt.

“Princesa, je moet ademhalen.”

Achter me hoor ik Riff brommen:

“Hij heeft gelijk Ky, anders val je flauw.”

Nu merk ik pas dat mijn ademhaling te gehaast is. Ik probeer de controle terug te krijgen, maar het lukt me niet. Langzaam raak ik in paniek en de ruimte begint te draaien. Juan laat me los bij mijn middel en drukt zijn warme handen tegen mijn gezicht waarna hij me dwingt hem aan te kijken.

“In.”

Juan ademt in.

“Uit.”

Langzaam begin ik met hem mee te ademen tot ik mezelf eindelijk weer onder controle heb. Juan laat mijn gezicht los en ik draai me om naar Riff die met zijn hand over zijn voorhoofd wrijft.

“Ik wist niet dat een plakbandrol zo’n pijn kon doen.”

Langzaam dringt de herinnering tot me door van wat ik zojuist gedaan heb en de vreemde ervaring dat ik ergens tegenaan kwam. Dan dringt tot me door wat er is gebeurd. Ik heb Riff per ongeluk geslagen met… wat was het eigenlijk. Ik draai me om naar de plek waar Antonius net nog stond, maar nu staat hij niet, hij zit en er sijpelt bloed uit zijn voorhoofd. Net goed.

“Heb ik dat gedaan?”

Vraag ik voorzichtig. Ondertussen zakt een vrouw met blond haar op haar knieën en kijkt naar Antonius' wond en ook mijn vader komt aanlopen. Ik ben al bang dat hij me een uitbrander zal geven, maar hij slaat zijn armen om me heen en zegt:

“Gelukkig ben je oké.”

Juan legt zijn hand op mijn schouder en zegt:

“Hij heeft dit zelf gedaan.”

Mijn vader laat me los en loopt met woeste stappen op Antonius af. Riff legt zijn hand op mijn andere schouder en zegt:

“Die idioot dook opzij voor je cadeautje recht tegen de punt van die pallet daar.”

Riff wijst naar een grote pallet met een metalen balk erop. Langs de punt van de pallet waar hij hem geraakt heeft zie ik bloedspetters zitten. Ik huiver, niet door het bloed, maar omdat ik voor me zie hoe hij die metalen balk op zijn kop had kunnen krijgen en iets kwaadaardigs in me geniet van die gedachte.

 

Lief dagboek,

Ik denk niet dat ik een slecht mens ben, maar sommige mensen halen wel het slechte in mij naar boven.

Reactie plaatsen

Reacties

Ilonka
een maand geleden

Dat is een leuk verhaal. Ik voel de boosheid ervan af komen. Kan me helemaal voorstellen dat je vanalles bedenkt als je vriend je bedriegt.
En wat ik knap vind is dat je je emoties verwerkt door er een verhaal van te maken.